Voorzitter Adhin: Jongereninspraak niet laten afhangen van een regering

28-08-2026

De Jeugdraad rust op een staatsbesluit van mei 2023. Wat een regering bij besluit geeft, kan een volgende bij besluit nemen; een wet verandert alleen met instemming van het parlement. Dat zegt parlementsvoorzitter Michael A. Adhin op vrijdag 28 augustus 2026 bij het Nationaal Jeugd Congres in de Congreshal. Het thema is; ‘Van District tot Daad’. Hij adviseerde om het thema van een staart te voorzien: ‘Van daad tot wet’.

Het punt van de parlementsvoorzitter is staatsrechtelijk, maar niet klein. Daarom riep hij de jongeren op mee te werken aan een Jeugdwet, "zodat uw plek aan tafel niet afhangt van de welwillendheid van welke regering dan ook", en nodigde hij de regering uit dat initiatief als medewetgever te steunen.

Beleidsnota

Het tweedaagse congres is het sluitstuk van consultaties die de Jeugdraad Suriname, gefaciliteerd door het Nationaal Jeugdinstituut, in juli en augustus in alle tien districten hield. Jongeren van vijftien tot dertig jaar bespraken onderwijs, werk, gezondheid, jeugddelinquentie en kinderarbeid, en formuleerden aanbevelingen. Die worden dit weekend gebundeld tot een beleidsnota, die zaterdag wordt overhandigd aan minister van Jeugdontwikkeling en Sport Lalinie Gopal en president Jennifer Simons.

Hij zegde bovendien toe dat de Assemblée de beleidsnota betrekt bij de behandeling van het jeugdbeleid en van de begroting. De inspraak zelf is niet nieuw, wel wisselvallig. Suriname kende sinds de vroege jaren 2000 een Nationaal Jeugdparlement; de laatste verkiezing daarvan was in 2017.

Het staatsbesluit van 2023 verving het door de Jeugdraad, met digitale verkiezingen waarin 12- tot 25-jarigen stemmen, en schreef jaarlijkse jeugdconsultaties voor, in de districten en landelijk. Het congres van deze week is dus geen gebaar van de overheid, maar uitvoering van haar eigen regels, en van artikel 37 van de Grondwet, dat de Staat opdraagt de ontwikkeling van de jeugd te waarborgen.

Statistieken

Dat er iets te bespreken valt, tonen de cijfers die Adhin aanhaalde. Van de Surinaamse jongeren die werk zoeken, vindt bijna één op de vier geen baan; voor de beroepsbevolking als geheel is dat minder dan één op de tien. Nog geen kwart van de jongeren voltooit de bovenbouw van het middelbaar onderwijs, en in de armste gezinnen zit bijna de helft van wie daar zou moeten zitten helemaal niet op school. In het district Sipaliwini werkt ruim één op de vijf kinderen. Achter elk percentage staat een jongere die in juli in een districtszaal precies dit kwam vertellen.

Wat zou een Jeugdwet daaraan veranderen? Direct niets: een wet maakt geen banen en bouwt geen scholen. Sceptici kunnen bovendien wijzen op het jeugdparlement, dat ook regels had en toch zes jaar zonder verkiezing bleef. Papier beschermt niet tegen desinteresse. En de jongeren zelf vroegen in de districten om werk en onderwijs, niet om staatsrecht.

Toch is het pleidooi meer dan symboliek. Een wet maakt van jaarlijkse consultaties, verkiezingen en adviesrecht verplichtingen waarop het parlement de regering kan aanspreken, de goedkoopste garantie dat er elk jaar iemand móét luisteren. Het VN-Kinderrechtencomité drong er in 2016 al op aan de jeugdparticipatie steviger en inclusiever te maken, met name voor jongeren in het binnenland. En de koppeling die Adhin legde met de begroting is precies waar aanbevelingen doorgaans sneuvelen: niet bij de mooie woorden, maar bij de middelen.

De voorzitter sloot af met een odo: wan finga no man dringi okro brafu, één vinger kan geen okersoep drinken. De jongeren hebben de soep dit weekend opgediend. Of de andere vingers meedoen, blijkt bij de eerstvolgende begrotingsbehandeling.