![]()
![]()
![]()
![]()
WET van 22 november 2011, houdende regels betreffende het Toezicht op het Bank- en Kredietwezen (Wet Toezicht Bank- en Kredietwezen 2011).
DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK SURINAME,
In overweging genomen hebbende dat het wenselijk is nieuwe regels ten aanzien van het toezicht op het bank- en kredietwezen vast te stellen;
Heeft, de Staatsraad gehoord, na goedkeuring door De Nationale Assemblée, bekrachtigd de onderstaande wet:
HOOFDSTUK I
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. de Bank: de Centrale Bank van Suriname;
b. kredietinstelling: een rechtspersoon, die in belangrijke mate haar bedrijf maakt van het ter beschikking verkrijgen van direct of op termijn opvorderbare gelden, al dan niet in de vorm van spaargelden of tegen uitgifte van één of meer soorten schuldbewijzen, en van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen of beleggingen en die ingevolge artikel 2 lid 1 van deze wet een vergunning heeft verkregen om het bedrijf van kredietinstelling in Suriname uit te oefenen;
c. representatieve organisatie: een organisatie, die met betrekking tot de uitvoering van deze wet door de Minister, de Bank gehoord, als representatieve organisatie voor een groep van kredietinstellingen is aangewezen;
d. de Minister: de Minister van Financiën;
e. gekwalificeerde deelneming: een rechtstreeks of middellijk belang van ten minste vijf procent van het geplaatste aandelenkapitaal van een rechtspersoon, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van ten minste vijf procent van de stemrechten in een rechtspersoon, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van een daarmee vergelijkbare zeggenschap in een rechtspersoon.
f. externe accountant: een in Suriname gevestigde onafhankelijke accountant die is ingeschreven in het register van het Nederlands Instituut van Registeraccountants, hetzij elders bij een erkende beroepsorganisatie die onderworpen is aan een naar het oordeel van de Bank gelijkwaardig regime van gedrags-, beroeps- en tuchtregels en ten minste vijf jaren werkervaring heeft als externe accountant.
g. Raad van beroep: de Raad zoals bedoeld in artikel 53.
2. De Bank wordt niet beschouwd als kredietinstelling in de zin van deze wet.
3. De bepalingen van deze wet vinden ten aanzien van buiten Suriname gevestigde ondernemingen of instellingen die hier te lande middels één of meer kantoren, bijkantoren, agentschappen of blijvende vertegenwoordigingen het bedrijf van kredietinstelling uitoefenen, slechts toepassing voor zover het hun bedrijf in Suriname betreft. De Bank kan bepalen, dat tot het bedrijf in Suriname mede worden gerekend alle of bepaalde rechtsverhoudingen van die ondernemingen of instellingen rechtstreeks of middellijk met natuurlijke- en rechtspersonen, welke in Suriname woonachtig zijn of aldaar hun bedrijf uitoefenen.
4. In Suriname gevestigde kredietinstellingen die bijkantoor, agentschap dan wel blijvende vertegenwoordiging zijn van buiten Suriname gevestigde rechtspersoonlijkheid bezittende kredietinstellingen, worden, mits deze laatste een voor de Bank aanvaardbare rechtsvorm hebben, voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met rechtspersonen.
HOOFDSTUK II
DE VERGUNNING
Artikel 2
1. De Bank is, met uitsluiting van ieder ander, bevoegd aan een rechtspersoon die het bedrijf van kredietinstelling in Suriname wenst uit te oefenen, een vergunning te verlenen.
2. Het is verboden het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen zonder voorafgaande vergunning van de Bank.
3. De Bank verleent vergunningen, afhankelijk van de hoofdbedrijfsactiviteit die de rechtspersoon wenst uit te oefenen. De per categorie kredietinstelling toegestane activiteiten zullen bij richtlijn door de Bank worden vastgesteld.
4. De Bank is te allen tijde bevoegd aan afgegeven vergunningen beperkingen te stellen en voorschriften te verbinden in het belang van de ontwikkeling en instandhouding van een gezond bank- en kredietwezen, alsmede ter bescherming van de belangen van de crediteuren of toekomstige crediteuren van de kredietinstellingen.
Artikel 3
1. Een rechtspersoon, die voornemens is het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen, vraagt per aangetekende brief een vergunning bij de Bank aan onder vermelding van de hoofdbedrijfsactiviteit die zij zich voorneemt te ontplooien.
2. De aanvraag bevat voorts de volgende gegevens:
a. de naam en het adres van de aanvrager(s);
b. de akte van oprichting of de statuten van de rechtspersoon.
c. het aanvangskapitaal van de rechtspersoon;
d. het aantal leden van de rechtspersoon, indien van toepassing;
e. het aantal, de identiteit en de antecedenten van de personen die het dagelijks beleid van de rechtspersoon bepalen;
f. het aantal, de identiteit en de antecedenten van de leden van de raad van commissarissen van de rechtspersoon dan wel van het orgaan van de rechtspersoon dat een met die van een raad van commissarissen vergelijkbare taak heeft;
g. de identiteit en de antecedenten van degenen die een gekwalificeerde deelneming houden in de rechtspersoon, alsmede de omvang van de desbetreffende gekwalificeerde deelneming;
h. een jaarrekening of openingsbalans, welke moet zijn voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid van de gegevens daarin, gewaarmerkt en ondertekend door een externe accountant;
i. indien de aanvrager een bestaande rechtspersoon is, tevens de laatste drie jaarrekeningen, gewaarmerkt door de externe accountant van de aanvrager, welke jaarrekeningen moeten zijn voorzien van een schriftelijke verklaring waarin deze zijn oordeel geeft over de getrouwheid van de jaarrekening en eventueel gebleken tekortkomingen, indien van toepassing, van de geconsolideerde financiële positie van de rechtspersoon;
j. indien de aanvrager een buitenlandse kredietinstelling is, een schriftelijke verklaring van de autoriteit belast met het toezicht op de buitenlandse kredietinstelling, waarin de oprichting van een filiaal, dochtermaatschappij of vertegenwoordiging in Suriname wordt goedgekeurd;
k. een volledig uitgewerkt ondernemingsplan met financiële projecties voor ten minste de eerste drie operationele jaren en balansprognoses en ramingen van baten en lasten voor de eerste drie boekjaren;
l. een beschrijving van de beoogde administratieve organisatie met inbegrip van de financiële administratie en de interne controle.
m. het voorgenomen domicilieadres van waaruit de activiteiten van de rechtspersoon zullen worden uitgeoefend.
3. De Bank kan van de aanvrager eisen nadere gegevens te verstrekken, die verband houden met de vergunningsaanvraag of de aard van het uit te oefenen bedrijf.
4. De Bank is bevoegd bij een ieder die een vergunning heeft aangevraagd, alle inlichtingen in te winnen of te doen inwinnen als zij meent nodig te hebben ter verificatie van de juistheid en de volledigheid van de bij de aanvraag gevoegde informatie.
5. De Bank beslist binnen drie maanden na de datum van ontvangst van een volledige aanvraag. Indien de Bank gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid in lid 3, begint de termijn van drie maanden te lopen vanaf de datum van ontvangst van de nadere gegevens.
6. De beslissing van de Bank wordt onverwijld schriftelijk medegedeeld aan de aanvrager. Na de Minister van Financien en de Minister van Handel en Industrie te hebben geinformeerd wordt de beslissing van de Bank onverwijld schriftelijk medegedeeld aan de aanvrager. Een afwijzende beslissing wordt met redenen omkleed.
7. De Bank is bevoegd nadere richtlijnen uit te vaardigen met betrekking tot de voorwaarden voor het verkrijgen van een vergunning. Deze richtlijnen worden in het Advertentieblad van de Republiek Suriname gepubliceerd.
Artikel 4
1. De Bank verleent een vergunning aan iedere rechtspersoon die te haren genoegen heeft aangetoond te voldoen aan de bij of krachtens deze wet vastgestelde eisen voor het verkrijgen van een vergunning, met inachtneming van het belang van de ontwikkeling en instandhouding van een gezond bank – en kredietwezen.
2. De Bank weigert de vergunning als bedoeld in artikel 2 lid 1 indien:
a. de rechtspersoon niet voldoet aan het bepaalde in de artikelen 5 en 6;
b. de rechtspersoon, indien van toepassing, niet beschikt over een door de Bank nader vast te stellen minimum aantal leden;
c. de Bank van oordeel is dat de deskundigheid van één of meer personen, die het dagelijks beleid van de rechtspersoon bepalen, onvoldoende is in verband met de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling;
d. de Bank, gelet op de voornemens of de antecedenten van één of meer personen, die het beleid van de rechtspersoon bepalen of mede bepalen, van oordeel is, dat de belangen van de crediteuren of toekomstige crediteuren van de rechtspersoon in ernstig gevaar zouden kunnen komen;
e. de Bank, gelet op de voornemens of de antecedenten van één of meer personen die in belangrijke mate zeggenschap uitoefenen in de rechtspersoon door middel van aan aandelen gebonden stemrechten in de algemene vergadering van aandeelhouders of op vergelijkbare wijze, van oordeel is dat er sprake is of zou kunnen zijn van een ongewenste beïnvloeding van de rechtspersoon;
f. de verklaring bedoeld in artikel 3 lid 2 onder h, een verklaring is die een andere inhoud heeft dan dat de jaarrekening of openingsbalans een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de rechtspersoon;
g. de Bank op grond van de gegevens als bedoeld in artikel 3 lid 2 van oordeel is dat de rechtspersoon niet in staat zal zijn om haar voornemens ten uitvoer te brengen dan wel om aan de aan haar uit hoofde van het toezicht te stellen eisen te voldoen;
h. de Bank op grond van het statutair doel reden heeft om aan te nemen dat de rechtspersoon activiteiten kan ontplooien op gebieden die onverenigbaar zijn met het werkgebied van de kredietinstelling en aldus een gevaar voor een gezond bankbeleid kunnen inhouden;
i. de Bank van oordeel is dat de vergunningverlening zou leiden of zou kunnen leiden tot een ongewenste ontwikkeling van het bank- en kredietwezen.
3. De Bank kan weigeren de vergunning te verlenen, indien zij gronden heeft om aan te nemen dat de rechtspersoon de vergunning heeft aangevraagd om zich te onttrekken aan de wet- of regelgeving inzake het toezicht op het bank- en kredietwezen in een ander land dan wel indien de structuur van de groep waarvan de kredietinstelling deel uitmaakt zodanig is dat de Bank onvoldoende adequaat en effectief toezicht kan uitoefenen op de kredietinstelling.
4. De Bank kan besluiten de vergunning niet te verlenen, indien zij van oordeel is dat het verlenen van de gevraagde vergunning in strijd is of zou kunnen zijn met de ontwikkeling of instandhouding van een gezond bank- en kredietwezen onderscheidenlijk ten nadele van de crediteuren of toekomstige crediteuren van de kredietinstellingen zou kunnen zijn.
5. De Bank kan besluiten de vergunning niet te verlenen, indien naar haar oordeel, de instantie van het land van vestiging van de betrokken rechtspersoon die met het toezicht op kredietinstellingen is belast, onvoldoende adequaat en effectief toezicht op kredietinstellingen kan uitoefenen.
Artikel 5
1. Het dagelijks beleid van een kredietinstelling wordt door ten minste twee bestuurders bepaald.
2. Een kredietinstelling die een naamloze vennootschap is, moet een Raad van Commissarissen hebben, bestaande uit ten minste vijf leden.
3. Een kredietinstelling, die geen naamloze vennootschap is, moet een onafhankelijk orgaan hebben dat een op die van de Raad van Commissarissen gelijkende taak heeft en dat uit ten minste vijf leden bestaat.
Artikel 6
1. Een kredietinstelling dient te beschikken over een minimum bedrag aan eigen vermogen dat in contanten moet zijn volgestort.
2. Hetgeen voor de onderscheiden groepen kredietinstellingen onder eigen vermogen wordt verstaan en de hoogte van het minimum bedrag als bedoeld in lid 1, wordt door de Bank bij richtlijn nader bepaald.
3. Het bedrag als bedoeld in lid 1 van dit artikel kan voor onderscheiden groepen kredietinstellingen verschillend worden bepaald.
Artikel 7
1. Het minimum aantal leden als bedoeld in artikel 4 lid 2 onder b wordt door de Bank bij richtlijn nader bepaald.
2. Het aantal leden als bedoeld in lid 1 van dit artikel kan voor onderscheiden groepen kredietinstellingen verschillend worden bepaald.
Artikel 8
De vergunningaanvragende rechtspersoon is verplicht de Bank of degene die in haar opdracht inlichtingen inwint, zoveel mogelijk behulpzaam te zijn en desgevraagd inzage in, alsmede afschriften van alle boeken, bescheiden en andere informatiedragers te verschaffen als door de Bank noodzakelijk wordt geacht in het kader van de vergunningsaanvraag.
Artikel 9
1. Een kredietinstelling is gehouden te allen tijde aan de vergunningsvereisten en -voorwaarden, alsmede aan voorschriften verbonden aan en beperkingen gesteld bij de vergunning te blijven voldoen.
2. De Bank kan, indien zich bij een kredietinstelling een omstandigheid als bedoeld in artikel 4 lid 2 onder a tot en met i voordoet, de bevoegde organen van de kredietinstelling een aanwijzing geven om een bepaalde gedragslijn te volgen, waardoor deze omstandigheid zich, binnen een door de Bank te bepalen termijn, niet meer voordoet.
Artikel 10
1. De Bank is bevoegd bij elke persoon, onderneming of instelling waarvan zij op grond van feiten en omstandigheden vermoedt dat deze het bedrijf van een kredietinstelling uitoefent, alle inlichtingen in te winnen of te doen inwinnen, die redelijkerwijs geacht kunnen worden nodig te zijn om zulks te beoordelen. De Bank vraagt schriftelijk om de gewenste inlichtingen. De door de Bank of door degene die in haar opdracht handelt, gevraagde inlichtingen, dienen door degene die de Bank heeft aangeschreven, schriftelijk binnen één maand na ontvangst van de brief waarbij de inlichtingen worden gevraagd, aan de Bank of diegene die in haar opdracht handelt, te worden toegezonden.
2. De Bank is bevoegd, indien daartoe naar haar oordeel dringende redenen bestaan, gelet op de effectieve behartiging van de belangen die deze wet beoogt te beschermen, zonder voorafgaand schriftelijk verzoek als bedoeld in lid 1, dan wel zonder schriftelijke aankondiging, bij de persoon, onderneming of instelling de nodige inlichtingen in te winnen of te doen inwinnen.
3. De in lid 1 respectievelijk lid 2 bedoelde persoon, onderneming of instelling stelt de Bank of degene die in haar opdracht handelt, in de gelegenheid zich aan de hand van haar boeken, bescheiden en andere informatiedragers, te overtuigen van de juistheid en volledigheid van de door de persoon, onderneming of instelling verstrekte inlichtingen en verleent daarbij alle medewerking; hij verschaft de Bank inzage in alle boeken, bescheiden en andere informatiedragers en geeft de Bank desgevraagd afschriften van deze.
4. Indien blijkt dat een persoon, onderneming of instelling het bedrijf van kredietinstelling uitoefent zonder vergunning van de Bank, is deze persoon, onderneming of instelling op aanwijzing van de Bank gehouden, onverminderd het bepaalde in artikel 55, de uitoefening van haar bedrijf onmiddellijk te staken en onder toezicht van de Bank de verrichte handeling of handelingen, voor zover de Bank zulks mogelijk acht, binnen een door de Bank te stellen termijn, ongedaan te maken.
5. Indien de in lid 4 bedoelde onderneming of instelling een vennootschap opgericht naar Surinaams recht is, is de Bank bevoegd, een voorstel tot ontbinding van de vennootschap te doen wanneer deze na de in lid 4 bedoelde aanwijzing van de Bank doorgaat met het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen. Op een ontbondenverklaring is artikel 43 de leden 2 tot en met 5 van het Wetboek van Koophandel van overeenkomstig van toepassing.
Artikel 11
1. De Bank kan een vergunning intrekken, indien:
a. de kredietinstelling daarom bij aangetekend schrijven verzoekt;
b. de rechtspersoon, aan welke de vergunning is verleend, opgehouden is een kredietinstelling te zijn;
c. zich ten aanzien van de kredietinstelling een omstandigheid als bedoeld in artikel 4 lid 2 onder a tot en met i, of artikel 4 lid 3, voordoet;
d. de kredietinstelling niet voldoet aan een van de verplichtingen opgenomen in artikel 26 leden 1,2 en 3;
e. de verklaring, bedoeld in artikel 26 lid 2 een verklaring is, die een andere inhoud heeft dan dat de jaarrekening als bedoeld in artikel 26 lid 1, een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de kredietinstelling en van het resultaat over het desbetreffende boekjaar;
f. de gegevens of bescheiden, die zijn verstrekt ter verkrijging van de vergunning, zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op het verzoek om verlening van een vergunning anders zou zijn beslist, indien bij de beoordeling van het verzoek de juiste en volledige gegevens of bescheiden bekend waren geweest;
g. indien de kredietinstelling zich niet houdt aan de voorwaarden van de vergunning.
h. de kredietinstelling de richtlijnen uitgegeven ingevolge deze wet niet naleeft.
2. Het besluit tot intrekking van een vergunning wordt met redenen omkleed en onverwijld middels deurwaardersexploot ter kennis van de kredietinstelling gebracht.
3. Een beschikking tot intrekking van de vergunning op één of meer van de gronden, genoemd in lid 1, treedt eerst in werking, nadat de in artikel 54 lid 1 genoemde termijn van twee maanden is verstreken. Van de beschikking wordt, zodra zij onherroepelijk is geworden, door de Bank mededeling gedaan in het Advertentieblad van de Republiek Suriname en in ten minste twee dagbladen.
4. Met ingang van de datum waarop een beschikking als bedoeld in lid 3 onherroepelijk is geworden, is het verbod als bedoeld in artikel 52 lid 1, op de rechtspersoon van toepassing.
5. De rechtspersoon is vanaf de datum zoals bedoeld in lid 3 gehouden alle lopende overeenkomsten betreffende bedrijfsmatig van het publiek verkregen gelden, die al dan niet op termijn opvorderbaar zijn, onverwijld op te zeggen en binnen een door de Bank te bepalen termijn af te wikkelen. De Bank kan zo nodig deze termijn verlengen.
6. Onverminderd het bepaalde in de leden 3 en 4, wordt de rechtspersoon gedurende de afwikkelingstermijn voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met een kredietinstelling die een vergunning als bedoeld in artikel 2 lid 1, heeft verkregen.
7. In afwijking van het bepaalde in lid 2 treedt een beschikking tot intrekking van de vergunning op één van de gronden, bedoeld in lid 1 onder c of d, direct in werking, indien in verband met de ontwikkeling van een gezond bank- en kredietwezen een onverwijlde intrekking van de vergunning naar het oordeel van de Bank noodzakelijk is. Alsdan zijn de leden 3, 4 en 5 onmiddellijk van toepassing.
8. De Bank beslist binnen drie maanden na ontvangst van een verzoek als bedoeld in lid 1 onder a.
HOOFDSTUK III
HET REGISTER
Artikel 12
1. De Bank houdt een register van kredietinstellingen bij. Het register wordt ingericht op een nader door de Bank te bepalen wijze.
2. In het register worden alle kredietinstellingen ingeschreven, tevens worden alle doorhalingen van inschrijvingen geregistreerd.
3. De inschrijving van een kredietinstelling in het register en de doorhaling van een inschrijving in het register worden door de Bank binnen één maand na de dag, waarop zij hebben plaatsgehad, openbaar gemaakt in het Advertentieblad van de Republiek Suriname en in ten minste twee dagbladen.
4. In de maand januari van elk jaar worden door de Bank de namen van alle in het register opgenomen kredietinstellingen naar de stand per 31 december van het voorafgaande jaar in het Advertentieblad van de Republiek Suriname en in ten minste twee dagbladen geplaatst.
5. Het register ligt voor een ieder ter inzage ten kantore van de Bank.
HOOFDSTUK IV
TOEZICHT
Artikel 13
1. De Bank is belast met het toezicht op kredietinstellingen en is tevens belast met het toezicht op de naleving van de onderhavige wet.
2. Alle besluiten die de Bank in het kader van de in lid 1 genoemde taken neemt, zijn met redenen omkleed.
3. Kredietinstellingen zijn gehouden hun bedrijf op prudente wijze uit te oefenen waartoe onder meer het voeren van een adequaat risicomanagement behoort.
Artikel 14
1. De Bank is bevoegd, ter bevordering van de stabiliteit van de waarde van de geldeenheid van Suriname, aan de aan het toezicht onderworpen kredietinstellingen, na met deze, dan wel de betrokken representatieve organisatie gepleegd overleg, voorschriften voor hun bedrijfsvoering te geven.
2. Indien het overleg, als bedoeld in lid 1, binnen een door de Bank aanvaardbaar geachte termijn niet leidt tot overeenstemming tussen de Bank en de betrokken kredietinstellingen dan wel de betrokken representatieve organisatie, of wanneer er, naar het oordeel van de Bank, geen of onvoldoende mate van medewerking bij de uitvoering van de voorschriften wordt verkregen, is de Bank bevoegd bij de Minister een voordracht in te dienen om de door haar gegeven voorschriften, als bedoeld in lid 1, aan de President van Suriname ter bekrachtiging bij Staatsbesluit voor te leggen.
3. Ingeval de Minister meent zijn in lid 2 bedoelde medewerking niet te kunnen verlenen, zal hij hiervan binnen veertien dagen schriftelijk kennis geven aan de Bank. Deze kennisgeving zal worden aangemerkt als een aanwijzing in de zin van artikel 24 van de Bankwet 1956 (S.B. 2010 no.173) tot intrekking van de desbetreffende voorschriften.
4. De Bank is bevoegd om, in het kader van haar monetair beleid, aan kredietinstellingen, na met deze, dan wel de betrokken representatieve organisatie gepleegd overleg, arrangementen voor te houden die door deze kredietinstellingen in acht genomen dienen te worden.
5. De voorschriften kunnen voor de verschillende groepen van kredietinstellingen verschillend zijn.
6. De Bank zal voorschriften naar hun aard en naar hun strekking op een door haar te bepalen wijze, bekend maken.
7. De Bank kan onder bijzondere omstandigheden aan één of meer kredietinstellingen geheel of gedeeltelijk ontheffing van de bepalingen die bij wijze van voorschrift gegeven zijn, verlenen.
8. De Bank kan bij niet naleving van de voorschriften waaromtrent wel overeenstemming werd bereikt, een monetair relevante kredietinstelling verplichten een renteloos deposito tot een door haar te bepalen bedrag bij haar aan te houden dan wel aan de kredietinstelling een boeterente opleggen.
Artikel 15
1. De Bank kan in het kader van het bedrijfseconomisch toezicht – al dan niet op geconsolideerde basis – aan de kredietinstellingen richtlijnen voor hun bedrijfsvoering geven.
2. De richtlijnen kunnen onder meer betrekking hebben op:
a. de minimale omvang van het eigen vermogen in verhouding tot de risicograad van de activa en buitenbalansposten van een kredietinstelling;
b. de minimale omvang van de liquide middelen in verhouding tot de aan de kredietinstelling toevertrouwde gelden, waarbij rekening wordt gehouden met het opvraagbaarheids- en looptijdrisico van deze gelden;
c. het verbod, de beperking of het aan voorwaarden verbinden van risicovolle activiteiten of risicovolle verplichtingen binnen of buiten de balans;
d. de reikwijdte van de consolidatie;
e. overige richtlijnen die de Bank in het kader van een prudent toezicht nodig acht.
3. De richtlijnen, bedoeld in lid 2 worden slechts gegeven of gewijzigd na overleg met de aan het toezicht onderworpen kredietinstellingen, dan wel de betrokken representatieve organisatie. Het overleg over wijziging van de richtlijnen kan geopend worden door de Bank, de aan het toezicht onderworpen kredietinstelling, dan wel door een betrokken representatieve organisatie. De richtlijnen kunnen voor de onderscheiden categorieën van kredietinstellingen verschillend zijn.
4. De Bank kan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ontheffing van de in lid 2 bedoelde richtlijnen verlenen, mits de solvabiliteit of liquiditeit van de kredietinstelling naar het oordeel van de Bank anderszins voldoende zijn gewaarborgd en het risicobeheer van de kredietinstelling voldoende wordt geacht. De Bank kan aan de ontheffing beperkingen of voorschriften stellen.
5. De Bank kan van een kredietinstelling, afhankelijk van haar risicoprofiel, additionele buffers eisen in het kader van haar liquiditeit en solvabiliteit.
6. In de richtlijnen wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de begrippen waaromtrent richtlijnen worden gegeven.
Artikel 16
1. De Bank kan met betrekking tot de administratieve- en bestuurlijke organisatie van kredietinstellingen, met inbegrip van de financiële administratie en de interne controle, aan die instellingen richtlijnen voor hun bedrijfsvoering geven. Onder de richtlijnen die de Bank met betrekking tot de administratieve– en bestuurlijke organisatie van kredietinstellingen kan verstrekken, wordt mede verstaan richtlijnen ter zake de bestrijding van money laundering en het financieren van terrorisme.
2. Richtlijnen als bedoeld in lid 1, worden slechts gegeven of gewijzigd na overleg met de aan het toezicht onderworpen kredietinstellingen, dan wel de betrokken representatieve organisatie. Het overleg over wijziging van de richtlijnen kan geopend worden door de Bank, of de aan het toezicht onderworpen kredietinstelling, dan wel door een betrokken representatieve organisatie.
Artikel 17
1. Indien de Bank constateert dat een kredietinstelling de krachtens de artikelen 15 en 16 gegeven richtlijnen niet naleeft, of andere tekenen ontwaart van een ontwikkeling, die naar haar oordeel voor de liquiditeit of solvabiliteit van de instelling gevaarlijk is of gevaarlijk zou kunnen worden, kan de Bank per aangetekende brief de betrokken kredietinstelling een aanwijzing geven om de nodige maatregelen te treffen dan wel om ten aanzien van met name gegeven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.
2. Indien de Bank niet binnen een door haar vastgestelde termijn een haar bevredigend antwoord van de kredietinstelling heeft ontvangen of indien naar haar oordeel geen of onvoldoende gevolg is gegeven aan de aanwijzing als bedoeld in lid 1, kan de Bank de kredietinstelling per aangetekende brief aanzeggen, dat vanaf een bepaald tijdstip alle of bepaalde organen van de kredietinstelling hun bevoegdheden slechts mogen uitoefenen na goedkeuring door één of meer door de Bank aangewezen personen en met inachtneming van de opdrachten van deze personen. De aanzegging is terstond van kracht.
3. Indien de Bank bij een kredietinstelling tekenen ontwaart van een ontwikkeling, die naar haar oordeel de liquiditeit of solvabiliteit van de kredietinstelling in gevaar brengt en onverwijld ingrijpen noodzakelijk maakt, kan zij zonder toepassing van lid 1 onmiddellijk uitvoering geven aan het bepaalde in lid 2.
4. Met betrekking tot het bepaalde in de leden 2 en 3 zijn de organen van de kredietinstelling verplicht de door de Bank aangewezen personen alle medewerking te verlenen.
5. De aan de, ingevolge lid 2, aangewezen personen te vergoeden bedragen komen ten laste van de betreffende kredietinstelling.
Artikel 18
1. Een persoon kan geen bestuurder, directeur, commissaris of houder van een gekwalificeerde deelneming van een kredietinstelling zijn indien:
a. hij in strijd heeft gehandeld met een bepaling of wet die naar het oordeel van de Bank beoogt de gemeenschap te beschermen tegen financieel verlies als gevolg van oneerlijkheid, onbekwaamheid of oneerlijke praktijken van personen die zich bezighouden met het verlenen van bankdiensten, investeringsdiensten, financiële diensten of het beheer van maatschappijen;
b. hij is veroordeeld, onverschillig of die veroordeling onvoorwaardelijk of voorwaardelijk is, wegens enig misdrijf of andere overtreding in de vermogenssfeer of wegens misbruik van vertrouwen;
c. een strafrechtelijk onderzoek of strafrechtelijke vervolging naar een misdrijf dan wel enig delict van financieel-economische aard in Suriname of in het buitenland tegen hem is ingesteld, ongeacht of daarbij door betaling van een som geld aan de bevoegde justitiële autoriteiten is afgezien of zal worden afgezien van verdere vervolging;
d. hij onder curatele is gesteld bij een officiële procedure ingevolge wettelijke regelingen in Suriname of in het buitenland;
e. hij langer dan twee maanden zonder geldige reden, zulks alleen door de Bank vast te stellen, achterstallig is met zijn betalingen ten aanzien van een lening, kredietverlening, garantie of andere verplichting aan een financiële instelling;
f. hij betrokken is bij handelspraktijken die de Bank beschouwt als te zijn misleidend en ongepast of die op andere wijze zijn manier van zaken doen in diskrediet brengen;
g. hij een staat van dienst heeft die de Bank doet vermoeden dat de persoon zich ongepast heeft gedragen bij het behartigen van de belangen van zijn werkgever;
h. hij betrokken was bij of geassocieerd werd met bedrijfspraktijken die twijfel doen rijzen over zijn bekwaamheid en beoordelingsvermogen;
i. hij een dubieuze debiteur is.
2. Een persoon die bestuurder, directeur of commissaris van een kredietinstelling is, zal onmiddellijk ontslagen worden, indien:
a. feiten bekend zijn geworden waarvan gesteld mag worden dat als deze voor diens aanstelling bekend waren bij de kredietinstelling, betrokkene niet zou zijn aangetrokken;
b. hij failliet is verklaard, surséance van betaling krijgt of een regeling treft met zijn schuldeisers;
c. hij veroordeeld wordt onverschillig of die veroordeling onvoorwaardelijk of voorwaardelijk is, wegens enig misdrijf of een overtreding in de vermogenssfeer of wegens misbruik van vertrouwen;
d. tegen hem een strafrechtelijk onderzoek of strafrechtelijke vervolging naar een misdrijf dan wel enig delict van financieel-economische aard in Suriname of in het buitenland is ingesteld, ongeacht of daarbij door betaling van een som geld aan de bevoegde justitiële autoriteiten is afgezien of zal worden afgezien van verdere vervolging;
e. hij onder curatele is gesteld bij een officiële procedure ingevolge wettelijke regelingen in Suriname of in het buitenland.
3. Het is een persoon die bestuurder, directeur of commissaris is geweest in, of direct of indirect te maken heeft gehad met, het bestuur van een kredietinstelling waarvan de vergunning is ingetrokken niet toegestaan zonder de schriftelijke toestemming van de Bank, bestuurder, directeur of commissaris te zijn dan wel op andere wijze rechtstreeks betrokken te zijn bij het bestuur van een kredietinstelling.
4. De Bank is bevoegd richtlijnen te geven die nadere regels stellen waaraan bestuurders en commissarissen van kredietinstellingen dienen te voldoen.
Artikel 19
1. Het is een kredietinstelling verboden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de Bank:
a. haar eigen vermogen te verminderen door terugbetaling van kapitaal of uitkering van reserves of uitkering van dividend;
b. een gekwalificeerde deelneming in een andere onderneming of instelling te houden, te verwerven dan wel te vergroten;
c. de activa en passiva van een andere onderneming of instelling geheel of voor een belangrijk deel over te nemen;
d. een fusie aan te gaan met een andere onderneming of instelling;
e. over te gaan tot financiële of vennootschappelijke reorganisatie;
f. filialen, bijkantoren en kassen onder welke naam dan ook te openen;
g. haar statuten te wijzigen;
h. een nieuw financieel product aan het publiek aan te bieden.
2. Het is verboden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de Bank personen te benoemen als bedoeld in artikel 5 de leden 1, 2 en 3.
3. De Bank kan aan de toestemming als bedoeld in de leden 1 en 2, voorwaarden verbinden.
4. Indien blijkt dat een kredietinstelling een handeling omschreven in lid 1, heeft verricht zonder toestemming van de Bank, is die instelling onverminderd het bepaalde in artikel 55 gehouden op aanwijzing van de Bank de handeling voor zover mogelijk ongedaan te maken, tenzij de Bank, daartoe verzocht door de betrokken kredietinstelling, alsnog toestemming verleent.
5. Indien blijkt dat een handeling als omschreven in lid 2, is verricht zonder toestemming van de Bank, is degene die de handeling heeft verricht, verplicht onverminderd het bepaalde in artikel 55, de handeling voor zover mogelijk ongedaan te maken, tenzij de Bank daartoe verzocht alsnog toestemming verleent.
Artikel 20
1. Het is een natuurlijke- of rechtspersoon verboden zonder voorafgaande toestemming van de Bank:
a. een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling te houden, te verwerven of te vergroten;
b. enige zeggenschap, verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling, uit te oefenen.
2. Het is iedere natuurlijke- of rechtspersoon verboden een deelneming van meer dan 20 procent van het geplaatst aandelenkapitaal van een kredietinstelling te houden of te verwerven.
3. De houder van een gekwalificeerde deelneming is verplicht binnen drie maanden na inwerkingtreding van deze wet, de toestemming als bedoeld in lid 1 bij de Bank aan te vragen. De aanvrager is verplicht haar deelneming binnen drie jaren na inwerkingtreding van deze wet te reduceren en af te bouwen tot een door de Bank te bepalen percentage.
4. De Bank is bevoegd onder bijzondere omstandigheden van het bepaalde in de leden 2 en 3 af te wijken.
5. Indien door erfenis een gekwalificeerde deelneming in het geplaatst aandelenkapitaal van een kredietinstelling wordt verkregen of verruimd, dient de verkrijger de in lid 1 bedoelde toestemming binnen een maand nadat hij zijn erfenis heeft aanvaard, bij de Bank aan te vragen.
6. De Bank verleent de gevraagde toestemming als bedoeld in de leden 1,4 en 5, tenzij de Bank van oordeel is dat de handeling in strijd zou zijn of zou kunnen zijn met een gezond bankbeleid. Aan de door de Bank verleende toestemming kunnen beperkingen worden gesteld en voorwaarden worden verbonden.
7. Ingeval het houden, het verwerven of het vergroten van een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling is verricht, zonder dat voor die handeling toestemming van de Bank is verkregen of de bij de toestemming gestelde beperkingen in acht zijn genomen, maakt de in overtreding zijnde natuurlijke- of rechtspersoon binnen een door de Bank te bepalen termijn de verrichte handeling ongedaan, dan wel neemt zij de beperkingen alsnog in acht. Deze verplichting vervalt, indien voor de desbetreffende handeling alsnog toestemming door de Bank wordt verleend, dan wel de niet in acht genomen beperkingen worden ingetrokken
8. Ingeval het uitoefenen van enige zeggenschap, verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling, geschiedt zonder dat voor die handeling toestemming is verkregen, of de bij een verleende toestemming gestelde beperkingen niet in acht zijn genomen, is een mede door de uitgeoefende zeggenschap tot stand gekomen besluit vernietigbaar. Het besluit kan worden vernietigd door de Kantonrechter, op vordering van de Bank, indien het besluit, zonder dat de desbetreffende zeggenschap zou zijn uitgeoefend, anders zou hebben geluid, dan wel niet zou zijn genomen, tenzij voor het tijdstip van de uitspraak alsnog toestemming wordt verleend, dan wel de niet in acht genomen beperkingen worden ingetrokken. De Kantonrechter regelt, voor zover nodig, de gevolgen van de vernietiging.
9. Ingeval een natuurlijke- of een rechtspersoon niet alle aan een toestemming verbonden voorwaarden naleeft, kan de Bank een termijn vaststellen, waarbinnen die natuurlijke- of rechtspersoon de niet nagekomen voorwaarden alsnog moet naleven. De toestemming kan worden ingetrokken als na het verstrijken van de door de Bank gestelde termijn niet aan de gestelde voorwaarden is voldaan.
Artikel 21
1. Op een verzoek om toestemming voor handelingen als bedoeld in artikel 19 lid 1 onder b, c en d of lid 2 en artikel 20 de leden 1, 4 en 5 is de procedure neergelegd in artikel 3 de leden 5 en 6 van overeenkomstige toepassing.
2. De toestemming kan door de Bank worden gewijzigd of ingetrokken:
a. op schriftelijk verzoek van de natuurlijk- of rechtspersoon aan wie de toestemming is verleend;
b. indien de gegevens of bescheiden, die zijn verstrekt ter verkrijging van de toestemming, zodanig onjuist of onvolledig zijn gebleken, dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen, indien bij de beoordeling van het verzoek de juiste en volledige gegevens of bescheiden bekend waren;
c. indien niet binnen de termijn, bedoeld in artikel 20 lid 4 aan alle aan de toestemming gestelde voorwaarden is voldaan.
Artikel 22
1. Aandelen van kredietinstellingen dienen op naam te zijn gesteld.
2. De aandelen van een kredietinstelling die bij de inwerkingtreding van deze wet niet op naam gesteld zijn, dienen binnen een periode van drie jaren na de inwerkingtreding van deze wet op naam gesteld te worden.
3. Iedere kredietinstelling is verplicht een register van aandeelhouders bij te houden.
4. Een kredietinstelling stelt de Bank in de maand juli van ieder jaar schriftelijk in kennis van de identiteit van iedere natuurlijke- of rechtspersoon, die een gekwalificeerde deelneming in die kredietinstelling houdt, voor zover die gegevens haar bekend zijn. Tevens stelt een kredietinstelling, zodra dat haar bekend wordt, de Bank schriftelijk in kennis van iedere verwerving of afstoting van, dan wel mutatie in een gekwalificeerde deelneming in die kredietinstelling, waardoor de omvang van deze deelneming boven onderscheidenlijk onder de 5, 10 en 15 procent stijgt, onderscheidenlijk daalt.
5. Een natuurlijke- of rechtspersoon, wiens gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling zodanig wijzigt, dat de omvang van deze deelneming onder de 5, 10 en 15procent daalt, stelt de Bank daarvan schriftelijk in kennis.
HOOFDSTUK V
DE RAPPORTAGE
Artikel 23
1. Iedere kredietinstelling is verplicht de Bank desgevraagd alle inlichtingen te verschaffen, die zij meent nodig te hebben voor de juiste uitoefening van het in artikel 13 bedoelde toezicht.
2. Iedere persoon als bedoeld in artikel 3 lid 2 onder e van een kredietinstelling, van wie in redelijkheid kan worden aangenomen, dat hij over inlichtingen als bedoeld in lid 1 beschikt, is ook na beëindiging van zijn dienstverband bij de kredietinstelling gedurende tien jaren, verplicht deze inlichtingen, na daartoe per aangetekende brief door de Bank te zijn gevraagd, aan haar te verstrekken.
3. De bij of krachtens deze wet aan de Bank te verschaffen inlichtingen en opgaven moeten tijdig, volledig, naar waarheid worden verstrekt.
Artikel 24
1. Iedere kredietinstelling is verplicht de op haar boekhouding betrekking hebbende boeken, bescheiden en andere informatiedragers in Suriname aan te houden.
2. Een kredietinstelling die een bijkantoor is van een in het buitenland gevestigde kredietinstelling, is verplicht voor haar bedrijf hier in Suriname een afzonderlijke boekhouding te voeren en de daarop betrekking hebbende boeken, bescheiden en andere informatiedragers in Suriname aan te houden.
Artikel 25
1. Iedere kredietinstelling is verplicht bij de Bank periodiek binnen de daartoe vastgestelde termijnen staten betreffende haar bedrijf in te dienen.
2. De vorm waarin de in lid 1 bedoelde staten moeten worden opgemaakt, de achtereenvolgende perioden waarop zij betrekking moeten hebben, en de termijnen binnen welke zij moeten worden ingediend, worden door de Bank bepaald na overleg met de kredietinstellingen, dan wel de betrokken representatieve organisatie. De staten kunnen voor onderscheiden groepen van kredietinstellingen verschillend zijn.
3. Indien de Bank zulks in het belang van een doelmatig toezicht nodig acht, kan zij een kredietinstelling opdragen:
a. staten als bedoeld in lid 1, buiten de ingevolge lid 2 vastgestelde termijnen en periodes in te dienen;
b. een verklaring van een externe accountant omtrent de getrouwheid van de in lid 1 bedoelde staten in te dienen.
4. De Bank kan aan kredietinstellingen gedurende een door haar te bepalen termijn geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het bepaalde in de leden 1 en 2. De Bank kan aan de ontheffing voorschriften en beperkingen verbinden.
Artikel 26
1. Iedere kredietinstelling is verplicht jaarlijks binnen een door de Bank vast te stellen termijn een jaarrekening, ten minste bevattend een balans en een winst- en verliesrekening met bijbehorende toelichting, over het afgelopen boekjaar, in een door de Bank vast te stellen vorm, bij haar in te dienen.
2. Bij de in lid 1 bedoelde jaarrekening dient een verklaring van een externe accountant omtrent de getrouwheid van de jaarrekening te zijn gevoegd.
3. Iedere kredietinstelling is verplicht bij de opdracht tot het controleren van de jaarrekening van de periodiek bij de Bank in te dienen staten overeenkomstig artikel 25 lid 1 en lid 3 onder a, de externe accountant tevens te machtigen om:
a. na de opdrachtgevende kredietinstelling hiervan in kennis te hebben gesteld, onverwijld aan de Bank een afschrift te zenden van het accountantsrapport of van de machtiging tot openbaarmaking van de accountantsverklaring en de daarbij behorende jaarrekening, van de directiebrieven en van de correspondentie die rechtstreeks betrekking heeft op de accountantsverklaring bij de jaarrekening respectievelijk bij de periodiek bij de Bank in te dienen staten, indien en voor zover de Bank dit nodig acht.
b. na de opdrachtgevende kredietinstelling hiervan in kennis te hebben
gesteld, onverwijld de Bank schriftelijk op de hoogte te stellen van
omstandigheden die de afgifte van een goedkeurende verklaring bij
de jaarrekening respectievelijk bij de Bank in te dienen staten in
gevaar zouden kunnen brengen; de externe accountant doet aan de
opdrachtgevende kredietinstelling een afschrift toekomen van alle
door hem aan de Bank verzonden stukken;
c. indien de Bank zulks noodzakelijk acht op de onder a en b
genoemde documenten een mondelinge toelichting te geven.
4. Indien de externe accountant ingevolge het bepaalde in lid 3 onder c, mondeling nadere toelichting geeft op de in dat lid, onder a of b, bedoelde stukken, stelt de Bank de opdrachtgevende kredietinstelling in de gelegenheid om bij dit onderhoud met de externe accountant aanwezig te zijn.
5. De Bank kan aan kredietinstellingen geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 1. De Bank kan aan de ontheffing voorwaarden verbinden.
6. De Bank kan, indien:
a. de kredietinstelling niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens dit
artikel of;
b. de verklaring als bedoeld in lid 2 van dit artikel, een andere inhoud
heeft dan dat de jaarrekening als bedoeld in lid 1 van dit artikel, een
getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het
vermogen van de kredietinstelling en van het resultaat over het
desbetreffende boekjaar;
de bevoegde organen van de kredietinstelling een aanwijzing geven om een bepaalde gedragslijn te volgen, teneinde te bereiken dat, binnen een door de Bank te bepalen termijn wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens dit artikel, of dat de verklaring, bedoeld in lid 2 van dit artikel, inhoudt dat de betreffende jaarrekening een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de kredietinstelling en van het resultaat over het betreffende boekjaar.
Artikel 27
1. Iedere kredietinstelling is verplicht de jaarrekening in een door de Bank vast te stellen vorm:
a. in het Advertentieblad van de Republiek Suriname en in tenminste
een dagblad te publiceren;
b. ten minste een jaar na verschijning ter beschikking te stellen van
het publiek hetzij door publicatie op haar website of op aanvraag.
2. De Bank kan aan kredietinstellingen geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 1. De Bank kan aan de ontheffing voorwaarden verbinden.
Artikel 28
Een kredietinstelling is verplicht de Bank met redenen omkleed mededeling te doen van iedere voorgenomen wisseling van haar externe accountant. De aanstelling van de externe accountant vindt plaats nadat de Bank heeft medegedeeld daartegen geen bezwaar te hebben.
Artikel 29
1. Teneinde het toezicht dat ingevolge deze wet is vereist, te effectueren, is de Bank te allen tijde gerechtigd om:
a. onbeperkt toegang te hebben tot alle boeken, bescheiden, documenten en andere informatiedragers met betrekking tot de onderneming die in het bezit of onder beheer zijn van elke bestuurder, directeur, commissaris, externe accountant of werknemer van een kredietinstelling;
b. van elke bestuurder, directeur, commissaris, externe accountant of werknemer van een kredietinstelling te eisen dat deze die informatie verschaft of die boeken, bescheiden, documenten of andere informatiedragers overlegt die in zijn bezit of beheer zijn of redelijkerwijs nodig zijn voor de uitvoering van zijn taken, en die betrekking hebben op de activiteiten van de kredietinstelling.
2. De Bank is bevoegd om informatie op te vragen en inspecties uit te voeren bij elke kredietinstelling of bij elke holdingmaatschappij, dochtermaatschappij of andere gelieerde ondernemingen van de kredietinstelling zo vaak als zij dit nodig acht teneinde de financiële conditie en activiteiten van de kredietinstelling en het effect van het bedrijfsmanagement en de financiële relaties tussen de kredietinstelling en haar gelieerde ondernemingen na te gaan. Op grond van haar bevindingen en de verkregen informatie tijdens de uitgevoerde inspectie kan de Bank de kredietinstelling verplichten die maatregelen te treffen die noodzakelijk worden geacht voor het bevorderen van een prudente bedrijfsvoering.
3. De Bank kan, bij de uitoefening van haar functie ingevolge dit artikel, personen benoemen die, bij het uitvoeren van de inspectie van een kredietinstelling of van haar holdingmaatschappij, dochtermaatschappij of andere gelieerde onderneming, de bevoegdheid hebben om een inspectie uit te voeren van al de activiteiten van genoemde instellingen en te vragen dat alle boeken, bescheiden, rekeningen, geschriften en documenten overgelegd worden.
4. Elke kredietinstelling of haar holdingmaatschappij, dochtermaatschappij of andere gelieerde onderneming en elke bestuurder, directeur, commissaris, werknemer van deze instellingen is verplicht aan elke bevoegde persoon, aangewezen door de Bank, ingevolge lid 3, alle boeken, bescheiden, rekeningen, geschriften, documenten en andere informatie te overleggen die nodig zijn voor de uitoefening van de taken als aangegeven in de leden 1en 2.
Artikel 30
De Bank is bevoegd, in het kader van het bedrijfseconomisch toezicht onderzoeken van buitenlandse instanties die met het toezicht op kredietinstellingen zijn belast en waarmee de Bank een informatie-uitwisselingovereenkomst heeft gesloten, toe te laten bij hier te lande gevestigde kredietinstellingen die onder geconsolideerd toezicht staan van genoemde toezichthouders. De Bank kan voorwaarden stellen aan, dan wel aanwijzingen geven voor de uitvoering van deze toezichtwerkzaamheden alsmede aan de rapportage, de verspreiding en het gebruik van de verkregen informatie. De functionarissen van de buitenlandse instanties die met het toezicht op kredietinstellingen zijn belast, zijn gehouden de aanwijzingen van de Bank stipt op te volgen.
Artikel 31
1. De Bank kan een bijzonder onderzoek van de activiteiten van een kredietinstelling of haar holdingmaatschappij, dochtermaatschappij of andere gelieerde onderneming uitvoeren indien:
a. de Bank vermoedt dat de kredietinstelling of haar holdingmaatschappij, dochtermaatschappij of andere gelieerde onderneming:
(i) haar activiteiten op een ongezonde en onveilige wijze uitoefent;
(ii) de bepalingen van deze wet of een beschikking, voorschrift of richtlijn gegeven ingevolge de wet overtreedt;
(iii) onvoldoende activa bezit om aan haar schulden te voldoen of niet in staat is om tijdig haar verplichtingen na te komen.
b. een kredietinstelling of haar holdingmaatschappij, dochtermaatschappij of andere gelieerde onderneming de Bank informeert dat er een grote kans bestaat dat zij insolvent raakt of dat haar verplichtingen niet op tijd kan nakomen;
c. de Bank van oordeel is dat een dergelijk onderzoek in het belang van een gezond bank- en kredietwezen noodzakelijk is.
2. Bij de uitoefening van deze bevoegdheid zijn de leden 3 en 4 van artikel 29 van overeenkomstige toepassing.
3. Indien een inspectie is uitgevoerd door een persoon aangewezen door de Bank ingevolge dit artikel, kan de Bank honoraria en kosten ter zake aan de desbetreffende kredietinstelling in rekening brengen.
HOOFDSTUK VI
LIQUIDATIE
Artikel 32
Een kredietinstelling is verplicht binnen twee werkdagen een besluit tot algehele of gedeeltelijke liquidatie dan wel tot ontbinding of verkoop, direct of indirect, van haar bedrijf in Suriname, schriftelijk aan de Bank mede te delen.
Er zal tenminste een periode van één jaar in acht genomen moeten worden alvorens uitvoering aan een besluit tot algehele of gedeeltelijke liquidatie dan wel tot ontbinding of verkoop, direct of indirect van het bedrijf in Suriname, kan worden gegeven. Een zodanig besluit dient onder toezicht en volgens aanwijzingen van de Bank te geschieden.
HOOFDSTUK VII
NOODREGELING EN FAILLISSEMENT
Artikel 33
1. Op een verzoek of vordering tot faillietverklaring van een kredietinstelling, een eigen aangifte daaronder begrepen, wordt niet beslist, dan nadat de Kantonrechter de Bank in de gelegenheid heeft gesteld haar gevoelen daaromtrent kenbaar te maken.
2. De Faillissementwet 1935 is niet van toepassing op kredietinstellingen, tenzij in deze wet anders is bepaald.
Artikel 34
1. Ingeval de solvabiliteit of de liquiditeit van een kredietinstelling tekenen van een gevaarlijke ontwikkeling vertoont en redelijkerwijs in die ontwikkeling geen verbetering te voorzien is, kan de Kantonrechter, op verzoek van de Bank verklaren dat de kredietinstelling verkeert in een toestand, die in het belang van de gezamenlijke schuldeisers een bijzondere voorziening behoeft en de noodregeling van toepassing verklaren.
2. Ingeval de solvabiliteit of de liquiditeit van een persoon, onderneming of instelling die het bedrijf van kredietinstelling heeft uitgeoefend zonder vergunning van de Bank, naar het oordeel van de Bank zodanig is, dat te voorzien is dat deze haar verplichtingen ter zake van de door haar verkregen gelden niet of slechts ten dele kan nakomen, kan de Kantonrechter op verzoek van de Bank verklaren dat de persoon, onderneming of instelling verkeert in een toestand, welke in het belang van de gezamenlijke schuldeisers een bijzondere voorziening behoeft en de noodregeling van toepassing verklaren.
3. De Bank zendt een afschrift van het verzoekschrift aan de betrokken kredietinstelling.
4. De Kantonrechter is bevoegd inzage te nemen of te doen nemen door deskundigen van boeken, bescheiden en andere informatiedragers van de betrokken kredietinstelling.
5. De Kantonrechter doet geen uitspraak, dan na de kredietinstelling en de Bank in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord, althans behoorlijk hiertoe te hebben opgeroepen.
6. Indien het verzoek wordt toegewezen, bevat het vonnis van de Kantonrechter de benoeming van één of meer bewindvoerders; de Bank kan voor de benoeming voordrachten doen.
7. Het vonnis wordt op een openbare terechtzitting uitgesproken; een uittreksel wordt onverwijld door de Bank gepubliceerd in het Advertentieblad van de Republiek Suriname en in ten minste twee dagbladen. Het uittreksel vermeldt naam en adres van de kredietinstelling en de woonplaats of het kantoor van de bewindvoerders, alsmede de datum van het vonnis.
8. Wanneer een verzoek van de Bank als bedoeld in lid 1 aanhangig is tegelijk met een verzoek of vordering tot faillietverklaring, wordt de behandeling van het verzoek of de vordering tot faillietverklaring geschorst totdat op het eerstgenoemde verzoek is beslist. Indien de Kantonrechter een uitspraak doet als bedoeld in de leden 1 en 2, vervalt het verzoek of de vordering tot faillietverklaring van rechtswege.
9. De geldigheidsduur van een uitspraak als bedoeld in de leden 6 en 7, wordt door de Kantonrechter bepaald, doch bedraagt ten hoogste anderhalf jaar. Vóór het verstrijken van de gestelde geldigheidsduur kan de Bank verzoeken om verlenging van de geldigheidsduur met telkens ten hoogste anderhalf jaar; een dergelijk verzoek wordt behandeld op dezelfde wijze als een verzoek tot het van toepassing verklaren van de noodregeling. Zolang bij afloop van de geldigheidsduur van de uitspraak op een verzoek tot verlenging nog niet is beslist, blijft bedoelde uitspraak van kracht. Indien het verzoek tot verlenging wordt toegewezen, is lid 6 van toepassing.
Artikel 35
1. De bewindvoerders oefenen bij uitsluiting alle bevoegdheden van de organen van de kredietinstelling uit en waken daarbij over de belangen der gezamenlijke schuldeisers.
2. De organen van de kredietinstelling verlenen alle door de bewindvoerders gevraagde medewerking.
3. Indien meer dan één bewindvoerder is benoemd, is voor de geldigheid van hun handelingen toestemming van de meerderheid of, bij staking van stemmen, een beslissing van de Kantonrechter vereist. De bewindvoerder aan wie bij vonnis een bepaalde werkkring is aangewezen, is binnen de grenzen daarvan zelfstandig tot handelen bevoegd.
4. De Kantonrechter kan te allen tijde een bewindvoerder, na hem en de Bank te hebben gehoord, althans daartoe behoorlijk te hebben opgeroepen, ontslaan en door een ander vervangen of één of meer bewindvoerders toevoegen, één en ander op verzoek van de bewindvoeder zelf, de andere bewindvoerders, de Bank of één of meer schuldeisers dan wel ambtshalve.
5. De bewindvoerders brengen tijdens de uitoefening van hun bevoegdheden, telkens na verloop van drie maanden, alsmede na beëindiging van hun werkzaamheden, zo spoedig mogelijk aan de Kantonrechter verslag uit.
6. Het loon van de deskundigen, aangewezen ingevolge artikel 34 lid 4 en het loon en de voorschotten van de bewindvoerders worden bepaald door de Kantonrechter en worden bij voorrang uit de opbrengst voldaan.
Artikel 36
1. De Kantonrechter is bevoegd bij of na een uitspraak als bedoeld in artikel 34 de leden 1 of 2, op verzoek van de Bank, dan wel op verzoek van de bewindvoerders of van één of meer schuldeisers of ambtshalve, de Bank gehoord, zodanige regelingen te treffen, als zij ter beveiliging van de belangen der schuldeisers van de kredietinstellingen nodig oordeelt.
2. De Kantonrechter, die de noodregeling van toepassing verklaart, vervult tevens de functie van rechter-commissaris en houdt toezicht op de vereffening die plaats heeft ingevolge artikel 39. Op de in dat kader gegeven beschikkingen van de rechter-commissaris zijn de artikelen 62 en 63 van de Faillissementswet 1935 van overeenkomstige toepassing. Hetgeen in de artikelen 64 en 65 van de Faillissementswet 1935 is bepaald met betrekking tot de curator, onderscheidenlijk de gefailleerde is van toepassing op de bewindvoerders, onderscheidenlijk de kredietinstelling.
Artikel 37
1. Het van toepassing verklaren van de noodregeling als bedoeld in artikel 34 de leden 1 en 2 heeft tot gevolg dat de kredietinstelling niet kan worden genoodzaakt tot nakoming van haar verplichtingen; aangevangen executies worden geschorst en gelegde beslagen vervallen.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 39, geldt lid 1 niet ten aanzien van vorderingen die voortvloeien uit handelingen, met de kredietinstelling verricht nadat de noodregeling van kracht werd, noch voor vorderingen als bedoeld in artikel 222 van de Faillissementswet 1935, en wel voor zover zulks het geval is.
3. De artikelen 224 tot en met 231 van de Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 38
1. De Kantonrechter kan de bewindvoerders machtigen over te gaan tot overdracht van de verbintenissen van de kredietinstelling, die zij in de uitoefening van haar bedrijf als kredietinstelling tot het ter beschikking verkrijgen van gelden heeft aangegaan of van een deel daarvan, dan wel tot gehele of gedeeltelijke liquidatie van het bedrijf van de kredietinstelling.
2. Indien bij overdracht van verbintenissen als bedoeld in lid 1, de bedingen in de overeenkomsten, waaruit die verbintenissen voortvloeien, worden gewijzigd, hebben de bewindvoerders daartoe de bijzondere machtiging van de Kantonrechter nodig, met dien verstande dat de bedingen in de overeenkomsten waaruit vorderingen voortvloeien als bedoeld in artikel 37 lid 2, daarbij niet kunnen worden gewijzigd. De wijzigingen laten onverlet de uitkeringen die overeenkomstig artikel 39 zijn gedaan vóór de dag van afgifte van een machtiging als bedoeld in lid 1.
3. Met betrekking tot beschikkingen als bedoeld in de leden 1 en 2 van dit artikel, is artikel 34, lid 5 en lid 7, van overeenkomstige toepassing.
4. Zodra overdracht van verbintenissen heeft plaatsgevonden, worden de overdracht en, ingeval de bedingen in de overeenkomsten zijn gewijzigd, deze wijzigingen door de bewindvoerders bekendgemaakt in het Advertentieblad van de Republiek Suriname en in ten minste twee dagbladen.
5. De overdracht en de wijzigingen van de bedingen in de overeenkomsten worden alsdan van kracht ten aanzien van alle belanghebbenden met ingang van de dag, volgende op die van de dagtekening van het Advertentieblad van de Republiek Suriname, waarin de bekendmaking is geplaatst.
6. Gedurende de liquidatie bedoeld in lid 1 van dit artikel, regelt de Kantonrechter naar behoefte de bijzonderheden en de gevolgen van de liquidatie, waaronder begrepen verkorting van de geldigheid van lopende overeenkomsten, na daaromtrent het advies van de bewindvoerders en de Bank te hebben ingewonnen.
7. Zodra de liquidatie is beëindigd, maken de bewindvoerders dit bekend in het Advertentieblad van de Republiek Suriname en in ten minste twee dagbladen.
Artikel 39
1. De bewindvoerders kunnen uitkeringen doen op de vorderingen waarop artikel 37 lid 2 van toepassing is, voor zover zij dit, gelet op de liquiditeitspositie van de kredietinstelling, verantwoord achten, en mits is voldaan aan de voorschriften in de leden 2 tot en met 10 van dit artikel.
2. De bewindvoerders maken een staat op waaruit blijkt de aard en het bedrag van de baten en schulden van de kredietinstelling, de namen en woonplaatsen van de schuldeisers, alsmede het bedrag der vorderingen van iedere schuldeiser. Een door de bewindvoerders gewaarmerkt afschrift van deze staat wordt ter kosteloze inzage van een ieder ter griffie van het Kantongerecht neergelegd.
3. Op verzoek van de bewindvoerders bepaalt de rechter-commissaris de dag waarop uiterlijk de vorderingen moeten worden ingediend, en voorts dag, uur en plaats waarop de verificatievergadering zal worden gehouden. De bewindvoerders geven van deze beschikkingen onmiddellijk aan alle bekende schuldeisers schriftelijk kennis en doen daarvan aankondiging in ten minste twee door de rechter-commissaris aan te wijzen dagbladen. Vanaf de dag waarop deze aankondiging heeft plaatsgevonden, vallen de vorderingen die bevoorrecht zijn, hetzij op zekere bepaalde goederen van de kredietinstelling, hetzij op al haar roerende en onroerende goederen, onder de werking van lid 1 van artikel 37. De artikelen 105 tot en met 108 van de Faillissementwet 1935 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hetgeen is bepaald met betrekking tot de curator, onderscheidenlijk de gefailleerde, van toepassing is op de bewindvoerders, onderscheidenlijk de kredietinstelling.
4. Een afschrift van de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen en van de lijst van betwiste vorderingen wordt door de bewindvoerders ter griffie van het Kantongerecht neergelegd om aldaar gedurende veertien dagen, voorafgaande aan de verificatievergadering, kosteloos voor een ieder ter inzage te liggen. De bewindvoerders geven alle bekende schuldeisers voor het begin van deze periode schriftelijk kennis van de nederlegging, waarbij zij een nadere oproeping tot de verificatievergadering voegen. Voorts doen de bewindvoerders van de nederlegging mededeling in ten minste twee dagbladen.
5. Met betrekking tot de verificatie zijn de artikelen 55 tweede alinea, 114 tot en met 117, 119 tot en met 123, 125, 127 tot en met 132, 249 eerste alinea, 250 en artikel 251, van de Faillissementswet 1935 van overeenkomstige toepassing. Daarbij zijn de bepalingen met betrekking tot de curator, onderscheidenlijk de gefailleerde van toepassing op de bewindvoerders, onderscheidenlijk de kredietinstelling. In afwijking van de in artikel 123 eerste alinea van de Faillissementwet 1935 genoemde termijn geldt de termijn, die ingevolge lid 3 van dit artikel door de rechter-commissaris voor de indiening van vorderingen is bepaald. De vorderingen die opeisbaar worden op of na de datum van de uitspraak, bedoeld in artikel 34 lid 1 of 2, worden geverifieerd voor de waarde die zij hebben op het tijdstip waarop deze vorderingen opeisbaar worden, met dien verstande dat dit ten aanzien van vorderingen die vallen onder de werking van artikel 38 lid 1 slechts geldt, voor zover deze bepaling niet reeds op deze vorderingen is toegepast.
6. De bestuurders van de kredietinstelling wonen de verificatievergadering bij ten einde aldaar alle inlichtingen over de oorzaken van de in artikel 34 lid 1 of 2 bedoelde toestand en de staat van de boedel te geven, die hen door de rechter-commissaris worden gevraagd. De schuldeisers kunnen de rechter-commissaris verzoeken omtrent bepaalde door hen op te geven punten inlichtingen aan de bestuurders te vragen; de vragen aan de bestuurders gesteld, en de door hen gegeven antwoorden worden in het proces-verbaal opgetekend. In afwijking van artikel 116 vierde alinea van de Faillissementswet 1935 levert het proces-verbaal van de verificatievergadering ten aanzien van de verbintenissen van de kredietinstelling die ingevolge artikel 38 worden overgedragen, slechts kracht van gewijsde op, voor zover de desbetreffende bedingen niet worden gewijzigd.
7. Na de verificatie van de schuldvorderingen maken de bewindvoerders een uitdelingslijst op, die zij ter goedkeuring voorleggen aan de rechter-commissaris. De lijst bevat een staat van ontvangsten en uitgaven, daaronder begrepen het loon van de bewindvoerders, de namen van de schuldeisers, en voorts het geverifieerde bedrag van ieders vordering en de daarop te ontvangen uitkering. De artikelen 172 tweede alinea, 173 en 174 van de Faillissementswet 1935 zijn van overeenkomstige toepassing; onverminderd het bepaalde in lid 10, is artikel 223 van de Faillissementswet 1935, behoudens de laatste zinsnede, eveneens van overeenkomstige toepassing.
8. Bij het opmaken van de uitdelingslijst wordt met betrekking tot de vorderingen die zijn betwist, of waarvan de voorrang is betwist of die voorwaardelijk zijn toegelaten, een bedrag aan liquide middelen afgezonderd tot ten minste het beloop van het totaal van de bedragen die bij de toepassing van dit artikel op deze vorderingen zullen kunnen worden uitgekeerd, dan wel wordt deze uitkering op andere wijze zeker gesteld.
9. De door de rechter-commissaris goedgekeurde uitdelingslijst wordt door de bewindvoerders ter griffie van het Kantongerecht neergelegd om aldaar gedurende veertien dagen kosteloos voor de schuldeisers ter inzage te liggen. De bewindvoerders doen van de nederlegging mededeling in ten minste twee dagbladen en geven bovendien aan ieder der erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldeisers schriftelijk kennis van de nederlegging, onder vermelding van het voor hem uitgetrokken bedrag. De artikelen 176 tot en met 179, 181 en 183 van de Faillissementswet 1935 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hetgeen daarin is bepaald met betrekking tot de curator, van toepassing is op de bewindvoerders, en dat, in afwijking van de in artikel 176 bedoelde termijn, geldt de in de eerste volzin van dit lid genoemde termijn. Indien ten gevolge van het krachtens artikel 176, dan wel artikel 178 gedane verzet een verificatiegeschil ontstaat, is ten aanzien van de vorderingen waarop dit verzet betrekking heeft, lid 8 van dit artikel van overeenkomstige toepassing en kan vervolgens, nadat voor zoveel nodig tevens dienovereenkomstig wijziging van de overige in de ter inzage neergelegde lijst opgenomen uitkeringsbedragen heeft plaats gehad, met inachtneming van het overigens in dit artikel bepaalde, tot uitkering worden overgegaan. Indien het gedane verzet niet tot een verificatiegeschil leidt, kan, met inachtneming van het bij de beschikking op het verzet bepaalde, tot uitkering worden overgegaan, zodra die beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.
10. In afwijking van de laatste volzin van lid 7 van dit artikel kan op geverifieerde vorderingen die opeisbaar worden op of na de datum van de uitspraak als bedoeld in artikel 34 lid 1 of 2, voor zover artikel 38 lid 1, niet reeds op deze vorderingen werd toegepast, een uitkering eerst worden gedaan, zodra deze vorderingen opeisbaar zijn geworden. Tot dat tijdstip wordt een bedrag aan liquide middelen afgezonderd tot ten minste het beloop van het totaal van de bedragen die bij de toepassing van dit artikel op deze vorderingen zullen kunnen worden uitgekeerd, dan wel wordt deze uitkering op andere wijze zeker gesteld.
Artikel 40
Nadat de Kantonrechter een uitspraak als bedoeld in artikel 34 lid 1 of lid 2, heeft gedaan, dan wel verlengd, kan zij in afwijking van het bepaalde in artikel 1 van de Faillissementswet 1935 een kredietinstelling slechts in staat van faillissement verklaren, indien een naar goed koopmansgebruik opgemaakte balans van de kredietinstelling een tekort aanwijst, ongeacht of de kredietinstelling verkeert in een toestand van te hebben opgehouden te betalen. De faillietverklaring vindt plaats, de Bank gehoord, op verzoek van de bewindvoerders, of op de vordering van het Openbaar Ministerie onder opheffing van de in de eerste volzin bedoelde maatregel. Alsdan, zomede indien de faillietverklaring wordt uitgesproken binnen één maand na het intrekken van de uitspraak, gelden de volgende bepalingen:
a. het tijdstip waarop de termijnen, in de artikelen 39 en 41 van de Faillissementswet 1935 vermeld, aanvangen, wordt berekend vanaf het tijdstip van het geven van de uitspraak, bedoeld in artikel 34 lid 1 of 2;
b. boedelschulden, na het geven van de uitspraak ontstaan, gelden ook in het faillissement als boedelschulden;
c. de intrekking van het vonnis en de faillietverklaring worden door de bewindvoerders bekendgemaakt in het Advertentieblad van de Republiek Suriname en in ten minste twee lokale dagbladen.
Voor het overige is voor zover niet reeds ingevolge artikel 43 tot volledige uitvoering is gekomen, Titel I van de Faillissementwet 1935 van toepassing.
Artikel 41
De Kantonrechter kan op verzoek van de bewindvoerders de uitspraak, bedoeld in artikel 34 lid 1 of 2 opheffen. Artikel 34 de leden 5 en 7 zijn, alsdan van overeenkomstige toepassing.
Artikel 42
Door de bekendmaking bedoeld in artikel 38 lid 4 of lid 7, artikel 40 onder c, of artikel 41, vervallen van rechtswege de bevoegdheden die de bewindvoerders ingevolge de uitspraak, bedoeld in artikel 34 lid 1 of 2 hadden verkregen.
Artikel 43
1. Het instellen van hoger beroep tegen de uitspraak van de Kantonrechter als bedoeld in de artikelen 34 lid 1 of 2, en 38 de leden 1 en 2, heeft geen schorsende werking.
2. De bepalingen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing op de in dit hoofdstuk geregelde noodregeling en faillissement.
HOOFDSTUK VIII
DEPOSITOBESCHERMINGSSYSTEEM
Artikel 44
1. De Bank pleegt overleg met de kredietinstellingen dan wel de betrokken representatieve organisatie over de invoering van een regeling omtrent garantie voor schuldvorderingen van rekeninghouders tot een bepaald maximumbedrag, tegen het risico dat een kredietinstelling haar verplichtingen met betrekking tot die schuldvorderingen niet kan nakomen. De aard van de te garanderen schuldvorderingen, de soorten rekeninghouders alsmede het maximum te garanderen bedrag worden bij wet vastgesteld.
HOOFDSTUK IX
GEHEIMHOUDING EN INFORMATIE-UITWISSELING
Artikel 45
1. Behoudens het bepaalde in artikel 46 zijn gegevens en inlichtingen, die ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde, omtrent afzonderlijke ondernemingen of instellingen zijn verstrekt of zijn verkregen, geheim.
2. Het is aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet of van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak vervult of heeft vervult, verboden van gegevens of inlichtingen, ingevolge deze wet verstrekt of van een instantie als bedoeld in artikel 46 ontvangen, of van gegevens of inlichtingen, bij het onderzoek van boeken, bescheiden of andere informatiedragers verkregen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn taak of door deze wet wordt geëist.
3. Het bepaalde in lid 2 laat onverlet de verplichting om overeenkomstig het Wetboek van Strafvordering als getuige of deskundige in strafzaken een verklaring af te leggen omtrent gegevens of inlichtingen, verkregen bij de vervulling van zijn ingevolge deze wet opgedragen taak.
4. Het bepaalde in lid 2 laat evenzo onverlet de verplichting om overeenkomstig het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een verklaring af te leggen omtrent gegevens of inlichtingen, verkregen bij de vervulling van zijn ingevolge deze wet opgedragen taak, zulks met dien verstande dat zodanige verplichting slechts geldt, voor zover het betreft een kredietinstelling die in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden.
5. In afwijking van de leden 1 en 2 is de Bank bevoegd met gebruikmaking van gegevens of inlichtingen, verkregen bij de vervulling van haar ingevolge deze wet opgedragen taak, mededeling te doen mits deze niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke kredietinstellingen.
6. De Bank is bevoegd, indien zij dit in het belang van een doelmatig toezicht en de ontwikkeling van een gezond bank- en kredietwezen noodzakelijk acht, de aandacht van alle kredietinstellingen te vestigen op een getotaliseerde, zeer omvangrijke kredietverlening aan één bepaalde kredietnemer door een aantal niet nader gespecificeerde kredietinstellingen. De kredietinstellingen zijn verplicht een zodanige mededeling geheim te houden.
Artikel 46
1. De Bank is bevoegd om gegevens of inlichtingen, verkregen bij de vervulling van de haar ingevolge deze wet opgedragen taak, te verstrekken aan een toezichthoudende autoriteit of een instantie waaraan in enig land bij of krachtens wet het toezicht op andere financiële markten is opgedragen, mits:
a. die verstrekking redelijkerwijs niet in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te beschermen;
b. de Bank zich vergewist van het doel waarvoor de gegevens of de inlichtingen zullen worden gebruikt;
c. in voldoende mate is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel, dan waarvoor deze zijn verstrekt, tenzij voor dat gebruik vooraf toestemming van de Bank is verkregen;
d. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen in voldoende mate is gewaarborgd;
e. de door de Bank verstrekte inlichtingen en gegevens geen namen bevatten van individuele deposanten of bewaargevers van de betrokken kredietinstelling;
f. gegevens en inlichtingen op basis van wederkerigheid uitgewisseld kunnen worden.
2. Ter uitvoering van dit artikel zal de Bank een informatie-uitwisselingovereenkomst sluiten met de betrokken autoriteit of instantie.
HOOFDSTUK X
BIJZONDERE BEPALINGEN
Artikel 47
Jaarlijks brengt de Bank aan de Minister schriftelijk verslag uit over haar werkzaamheden overeenkomstig de voorschriften van deze wet en over haar bevindingen in het afgelopen boekjaar.
Artikel 48
Tenzij bij vonnis van de rechter kwader trouw is vastgesteld, zijn noch de Commissarissen, noch de President, noch enige medewerker van de Bank aansprakelijk voor schade voorvloeiende uit enig handelen of nalaten bij de uitoefening van de taken ingevolge deze wet.
Artikel 49
Een kredietinstelling is verplicht alle brieven, bescheiden en informatiedragers haar bedrijf aangaande, alsmede de boeken inzake het mutatieverloop op alle door de kredietinstelling aan te houden rekeningen ten name van zowel haarzelf als van derden met de daarbij behorende brieven, bescheiden en andere informatiedragers gedurende ten minste tien jaren te bewaren.
Artikel 50
1. Tot dekking van de kosten verbonden aan de uitvoering van deze wet brengt de Bank jaarlijks aan iedere kredietinstelling waarop deze wet van toepassing is, of in het jaar waarover de kosten worden berekend van toepassing was, een bij staatsbesluit vastgestelde bijdrage in rekening.
2. Elke kredietinstelling is verplicht de in lid 1 bedoelde bijdrage binnen een bij staatsbesluit te bepalen termijn en op een bij dat staatsbesluit te bepalen wijze te voldoen.
3. Ingeval de kredietinstelling niet aan de verplichting genoemd in lid 2 van dit artikel voldoet, kan de President van de Bank bij deurwaardersexploot, op kosten van de overtreder, een dwangbevel doen uitvaardigen dat een executoriale titel oplevert, in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Rechtsvordering.
Artikel 51
1. Behoudens de kredietinstellingen is het een ieder verboden om de woorden “bank”, “krediet” of “spaar” en vertalingen of vormen van deze woorden te gebruiken in zijn naam of bij de uitoefening van zijn bedrijf, tenzij zulks in zodanige samenhang geschiedt, dat daaruit duidelijk blijkt, dat de onderneming of instelling geen kredietinstelling is.
2. De Bank kan van het verbod, vervat in lid 1, ontheffing verlenen. Aan deze ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden.
3. Het verbod, vervat in lid 1, is niet van toepassing op de Bank en de representatieve organisaties.
Artikel 52
1. Het is een ieder verboden zich direct of indirect tot het publiek te wenden ter zake van het aantrekken van gelden en het verlenen van kredieten door anderen dan de kredietinstellingen.
2. De Bank kan van het verbod in lid 1 op verzoek ontheffing verlenen. Aan deze ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden.
HOOFDSTUK XI
BEROEPSPROCEDURES
Artikel 53
1. Er is een Raad van Beroep belast met de behandeling van de in lid 2 van dit artikel bedoelde beroepszaken. De Raad bestaat uit de Minister van Financien, de Minister van Handel en Industrie en een door de Bank aan te wijzen externe deskundige. De Bank wijst de deskundige aan afhankelijk van de inhoud van het beroep. Bij Staatsbesluit worden nadere regels gesteld omtrent de werkwijze van de Raad.
2. De aanvrager van een vergunning als bedoeld in artikel 2 van deze wet kan ten aanzien van een afwijzende beslissing over de vergunningsaanvraag binnen 30 dagen na ontvangst van de kennisgeving beroep aantekenen bij de Raad van Beroep. Het beroep wordt ingesteld door indiening van een beroepschrift bij de Raad, waarvan afschrift bij aangetekend schrijven aan de Bank wordt toegezonden.
3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
a. de naam en het adres van de aanvrager;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van het besluit waartegen het beroep is gericht;
d. de gronden van het beroep.
4. De Raad beslist, na de Bank daartoe te hebben gehoord, binnen twee maanden na datum van ontvangst van het beroepschrift. De uitspraak van de Raad is met redenen omkleed en wordt onmiddellijk ter kennis gebracht van de Bank en de aanvrager.
5. Indien de Bank geen bedenkingen heeft tegen de uitspraak van de Raad voorziet zij binnen veertien dagen na ontvangst van de uitspraak opnieuw in de zaak met in achtneming van de uitspraak.
6. Indien de Bank bedenkingen heeft tegen de uitspraak van de Raad, als in lid 4 bedoeld, kan de Bank deze bedenkingen binnen veertien dagen schriftelijk ter kennis van de President van de Republiek Suriname brengen. De bedenkingen van de Bank worden onmiddellijk ter kennis van de Raad en bij aangetekend schrijven ter kennis van de aanvrager gebracht.
7. De President van de Republiek Suriname beslist, binnen twee maanden na ontvangst van de bedenkingen van de Bank, over de uitspraak van de Raad, na de Bank de gelegenheid te hebben gegeven haar standpunt mondeling toe te lichten. Het besluit van de President wordt bekend gemaakt door plaatsing in het Advertentieblad van de Republiek Suriname.
8. Indien door de aanvrager beroep bij de Raad is aangetekend begint de in artikel 55 lid 1 genoemde termijn te lopen nadat de Raad een uitspraak over de aanvraag heeft gedaan of, ingeval gebruik is gemaakt van het bepaalde in lid 6, nadat de President van de Republiek Suriname een uitspraak heeft gedaan over de bedenkingen van de Bank.
Artikel 54
1. Een ieder die rechtstreeks in zijn belang is getroffen door een krachtens deze wet genomen besluit kan, binnen twee maanden na ontvangst van de kennisgeving van de Bank betreffende het besluit, de Kantonrechter adiëren.
2. Indien de uitspraak van de Kantonrechter strekt tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van een besluit waartegen in beroep is gekomen, voorziet de Bank voor zover nodig, opnieuw in de zaak met inachtneming van voornoemde uitspraak.
3. De bepalingen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK XII
STRAFBEPALINGEN
Artikel 55
1. Niet naleving van voorschriften gegeven bij of ingevolge de artikelen 2 lid 2, 10 lid 4, 19 leden 1 en 2, 20 leden 1 en 2, 32, 51 lid 1 en 52 lid 1 wordt gestraft als misdrijf.
Niet naleving van voorschriften gegeven bij of ingevolge de artikelen 10 lid 3, 14 lid 2, 23, 24, 28, 29 lid 4, 45 lid 2, 49 wordt gestraft als overtreding.
2. Degene die een misdrijf in de zin van deze wet begaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaar en een geldboete van de zevende categorie van de Algemene Geldboetewet (S.B.2002 no. 73), dan wel met één van deze straffen.
3. Degene die een overtreding in de zin van deze wet begaat, wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste zes maanden en een geldboete van de zesde categorie van de Algemene Geldboetewet (S.B.2002 no. 73), dan wel met één van deze straffen.
4. Een vervolging krachtens dit artikel wordt ingesteld op klacht van de Bank of voor zover het betreft een overtreding van artikel 45 lid 2 op klacht van de kredietinstelling, welker belang is geschaad.
Artikel 56
1. De Bank kan, onverminderd het bepaalde in artikel 55, indien een kredietinstelling niet of onvolledig dan wel niet tijdig voldoet aan de verplichtingen neergelegd in de artikelen 16, 25, 26 en 27 deze een geldboete opleggen.
2. Indien een kredietinstelling in strijd handelt met de in lid 1 genoemde artikelen ontvangt zij een kennisgeving van de Bank waarin zij wordt verzocht om alsnog binnen een door de Bank vast te stellen termijn het verzuim te herstellen. Bij deze kennisgeving kan de kredietinstelling tevens een boete worden opgelegd, indien het verzuim niet binnen de vastgestelde termijn wordt hersteld. De hoogte van de boete wordt bij beschikking vastgesteld met dien verstande dat de per overtreding te betalen boete niet hoger dan SRD 1.000.000,= mag zijn. De boete mag in geen geval meer dan 25 procent van de jaarwinst bedragen, blijkende uit de laatst beschikbare gecertificeerde jaarrekening van de externe accountant, van de kredietinstelling aan welke de boete is opgelegd.
3. De Bank is bevoegd de krachtens lid 1 van dit artikel opgelegde boete alsmede de kosten van invordering middels een door de Bank uit te vaardigen dwangbevel in te vorderen. Het dwangbevel alsook de betekening daarvan kan betrekking hebben op verschillende overtredingen
4. Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij deurwaardersexploot betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
5. De opbrengst van de boete als bedoeld in dit artikel zal bijdragen in de kosten verbonden aan de uitvoering van deze wet.
6. De Bank legt de boete bij beschikking op. Tegen deze beschikking kan de kredietinstelling beroep instellen.
7. Het ingestelde beroep schorst de werking van het besluit waartegen het is gericht niet.
HOOFDSTUK XIII
OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 57
1. Van elke kredietinstelling die in Suriname op de datum van inwerkingtreding van deze wet door middel van een rechtspersoon een bedrijf uitoefent als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder b en voornemens is dit bedrijf voort te zetten, zal de bestaande verklaring van geen bezwaar van rechtswege worden geconverteerd in een vergunning ingevolge deze wet, met dien verstande dat de betreffende kredietinstelling gedurende een overgangsperiode van maximaal drie jaren de gelegenheid krijgt om aan de ingevolge deze wet door de Bank gestelde voorwaarden te voldoen.
2. De Bank kan aan een kredietinstelling die opereert overeenkomstig het bepaalde in lid 1 van dit artikel, voorwaarden en beperkingen opleggen die zij noodzakelijk acht.
Artikel 58
1. Bij de inwerkingtreding van deze wet vervalt de Wet Toezicht op het Bank- en Kredietwezen 1968 (G.B. 1968 no. 63, zoals laatstelijk gewijzigd bij Decreet Toezicht Kredietwezen van 7 november 1986 (S.B. 1986 no. 82) voor kredietinstellingen en kredietverenigingen.
2. Bij de inwerkingtreding van deze wet behoudt de Wet Toezicht op het Bank- en Kredietwezen 1968 (G.B. 1968 no. 63, zoals laatstelijk gewijzigd bij Decreet Toezicht Kredietwezen van 7 november 1986 (S.B. 1986 no. 82), haar rechtskracht voor verzekeringsmaatschappijen.
3. De op grond van de Wet Toezicht op het Bank- en Kredietwezen 1968 (G.B. 1968 no. 63, zoals laatstelijk gewijzigd bij Decreet Toezicht Kredietwezen van 7 november 1986 (S.B. 1986 no. 82) gegeven voorschriften en richtlijnen blijven van kracht totdat zij door voorschriften en richtlijnen overeenkomstig de bepalingen van deze wet zijn vervangen.
Artikel 59
1. Deze wet kan worden aangehaald als: Wet Toezicht Bank- en Kredietwezen 2011.
2. Zij wordt in het staatsblad van de Republiek Suriname afgekondigd.
3. Zij treedt inwerking met ingang van de dag volgende op die van haar afkondiging.
4. De Minister van Financiën is belast met de uitvoering van deze wet.
Gegeven te Paramaribo, de 22ste november 2011
DESIRÉ D. BOUTERSE.
Uitgegeven te Paramaribo, de 22ste november 2011
De Minister van Binnenlandse Zaken,
S. MOESTADJA
De Nationale Assemblee
Maak contact met DNA | Maak contact met een lid | Breng een bezoek
Disclaimer | Privacybeleid | Auteursrechten